56. Op een dag

November 10, 2009

Het was donderdagochtend, half 7 en de schelle pieptoon van zijn wekker vulde de kamer. Hij opende moeizaam zijn ogen en drukte op de knop waarop in het Engels “snooze”  geschreven stond. Hij had geen job. Die had hij niet nodig, hij ging leven van zijn pen, ten minste, dat had hij zichzelf en zijn omgeving wijsgemaakt. In feite wou hij gewoon even op zichzelf zijn. Nadenken over alles. Hij zou wel eens een boek schrijven voor de uitgeverij. Ooit. Maar zijn gedachten waren niet bij een nieuwe bestseller, zijn gedachten waar bij Haar. Ze spookte door zijn hoofd.  Hij werd er gek van. Hij dacht aan zijn ouders die haar zo hadden afgekeurd. Hij begreep het niet. Hij schudde zijn hoofd en zuchtte.  Hij nam zijn pen ter hand en tekende cirkeltjes op zijn papier, beters had hij toch niet te doen. Opeens ging zijn gsm trillen en maakte het ding zo een hels lawaai dat hij niet anders kon doen dan het opnemen.

“Hallo?”
- “Pieter hier”
“ah Pieter, wat is er?”
- “goh …”‘

Pieter klaagde altijd maar. Altijd. Over echt alles. Over Ellen, over zijn ouders en schoonouders, over zijn werk, over de werel die om zeep was, over mensen die het milieu vervuilden. Maar desondanks was het een van zijn beste vrienden. Op Pieter kon je uiteindelijk wel rekenen. Zoals toen ze hem liet zitten, toen was hij kapot. En Pieter was de eerste die kwam om hem buiten te sleuren. Hij was haar nog altijd niet vergeten, dat niet. Maar hij kon er mee omgaan, of ja, dat maakte hij zichzelf wijs. Nadat Pieter en half uur had gepraat over Ellen en hoe haar zwangerschapskwaaltjes op zijn zenuwen werkten dacht hij dat het tijd was om op te leggen. Hij zei tegen Pieter dat er aan de deur gebeld werd en legde zijn hoorn op de haak. Hij liet warm water in het bad lopen. Het was ondertussen al 10 uur. Hij goot een beetje badschuim in het bad, zette de radio aan en floot mee met het nummer op de radio. Hij dacht weer aan haar. “ge zijt nen idioot” vloekte hij tegen zichzelf. Zijn goed humeur was weg, zodra zij in zijn gedachten kwam, dan verdween het als sneeuw voor de zon. Hij wist dat het binnekort zo ver zou zijn. Maar eerst moest hij nog vanalles doen. Hij zou snel bij haar zijn. Hij zou zich zo gelukkig voelen, hij zou alles hebben waar hij naar verlangde. En dan kwam hij met zijn gedachte terug naar de aarde. Hij wastte zich en kroop uit de badkuip. Hij hield van gevoel dat hij langzaam opdroogde. Maar deze keer niet, deze keer pakte hij een warme badjas en deed hij die aan. Hij ging snuffelen tussen zijn papieren en vond haar kaartje. Hij keek naar het gedicht dat er opstond. “Voor een dag van morgen”, het was altijd al zijn lievelingsgedicht geweest. Hij zuchtte nogmaals en toen lachte hij naar haar foto. Haar foto lied haar prachtige oranje haren mooi uitkomen. Hij kon het niet meer laten. Hij wou bij haar zijn. Hij wou haar lach zien, haar handen over zijn lichaam voelen. Hij besloot meteen te vertrekken. Hij kleedde zich aan, deed zijn winterjas aan. Hij dacht nogmaals aan Pieter. Pieter en Ellen, achja, Ellen. Ze zouden zich wel redden, ten slotte hadden ze elkaar. Hij had niemand meer. Hij was alleen. Hij liep al over de brug, de auto’s suisden hem voorbij. Hij dacht aan haar, hij dacht alleen maar aan haar meer. Hij voelde de koude al niet meer, hoorde de auto’s niet meer. Hij was al bij haar, hij kon haar al proeven. En toen was hij aan de rand van de brug. Hij besloot dat het tijd was. Het kon niet meer verder. Hij zuchtte voor de laatste keer, een gelukzalige zucht. De laatste slok zuurtstof die hij ooit nog zou nemen. Hij sprong en terwijl hij dat deed ging de ingeademde zuurstof uit zijn longen onder de vorm van een gil. Een luide gil. En toen raakte zijn lichaam het wateroppervlak. Alles deed pijn, hij probeerde tevergeefs naar adem te happen, te spartelen, zichzelf te redden en toen…

toen was hij bij haar.

 

 

( Ik weet het, het is niet goed maar ja, het is dan ook schoolopdracht ;) )


Leave a Reply

You must be logged in to post a comment.